3. Hoe ziet dat eruit?
Een typische setup heeft targets voor Clean, Restore, Compile, Test en Publish. Je geeft per target aan van welke andere targets die afhangt, NUKE bepaalt zelf de volgorde. Wil je Test overslaan? Dan geef je `--skip Test` mee als argument. Wil je debuggen? Zet een breakpoint en stap er gewoon doorheen.
NUKE biedt een breedt aanbod van tools die je normaal ook zou gebruiken, maar ook custom code kan je toevoegen. Zo zou je bijvoorbeeld ook van de custom Bash scripten af kunnen stappen door dit in C# op te lossen.
Een volledig werkend voorbeeld vind je in de officiele NUKE documentatie: https://nuke.build/docs/getting-started/setup/
4. Uitvoeren in de pipeline
Het mooie is: je hoeft je buildlogica maar op één plek te schrijven. NUKE kan via `nuke :ci-generate` zelf de platformspecifieke YAML genereren. De YAML-bestanden voor ADO, GitLab en GitHub worden daarmee dunne wrappers die simpelweg je buildscript aanroepen.
Voeg je later een stap toe? Dan pas je alleen Build.cs aan - de YAML hoef je niet aan te raken. Voorbeeldconfiguraties voor alle drie de platforms staan in de documentatie: https://nuke.build/docs/cicd/azure-pipelines/